De Fietsersbond onderzocht in de Fietsbalans in 43 gemeenten onder meer de fietsparkeervoorzieningen. Op ruim een derde van de typen fietsbestemmingen bleek een groot tekort aan fietsenrekken.
1600 Locaties
De Fietsersbond onderzocht de tekorten op 1600 locaties bij winkelgebieden, openbaar vervoerknooppunten, onderwijsinstellingen, sportcomplexen, uitgaansgelegenheden en overige voorzieningen. Op 80 procent van de locaties in en rond centrale winkelgebieden zijn op piektijden onvoldoende rekken.
PvA Fietsdiefstal
In grote en middelgrote steden is het probleem groter dan in kleinere gemeenten. Ook bij uitgaansgelegenheden, bibliotheken, postkantoren en gemeentelijke publieksdiensten zijn vaak onvoldoende rekken. Op driekwart van de locaties ontbreken bij de rekken nog goede aanbindmogelijkheden. In het Plan van Aanpak Fietsdiefstal van het Ministerie van Binnenlandse zaken staat dat goede sloten weinig zin hebben als je de fiets niet vast kunt zetten aan de ‘vaste wereld’. Op deze locaties hebben fietsers dus niet de mogelijkheid zich adequaat tegen fietsdiefstal te beschermen. De grootste problemen doen zich voor op onderwijslocaties en bij sportvoorzieningen.
Goed nieuws
Het goede nieuws is dat steeds meer gemeenten gratis bewaakte stallingen in de centrumgebieden aanbieden. Bij ongeveer de helft van de onderzochte sportvoorzieningen zijn voldoende rekken. Zwembaden en sporthallen scoren voldoende met rond de 60 procent. Sportvelden vormen een negatieve uitzondering: bij 64 procent van de sportvelden zijn tekorten. De echt grote tekorten komen in kleine gemeenten vaker voor dan in grotere steden. Er bestaan grote verschillen tussen de verschillende onderwijssoorten. Middelbaar en hoger onderwijs doen het relatief goed. Bij basisscholen is het beeld anders. Bij 42 procent zijn er grote tekorten en slechts bij 30 procent staan voldoende rekken. Bij 18 basisscholen waren in het geheel geen fietsparkeervoorzieningen aanwezig. Hierdoor is het voor veel kinderen niet mogelijk op de fiets naar school te gaan en te oefenen met zelfstandige mobiliteit in de eigen relatief veilige omgeving.
dinsdag 30 november 2010
maandag 7 juni 2010
‘Over 10 jaar 100.000 fietsenstallingen tekort bij stations’ (bron: Verkeer in beeld)
Ondanks verwoede pogingen het tekort op te vangen zal er in 2020 een tekort zijn van minstens 100.000 fietsparkeerplekken bij stations. Dat meldt spoorbeheerder ProRail. De beheerder heeft sinds 1999 200.000 fietsplaatsen gebouwd of aangepast.
Enorm tekort
Tot 2012 worden nog 100.000 plekken bijgebouwd of aangepast, maar dan nog is er een tekort van 50.000 plaatsen. In 2020 is dat opgelopen tot 100.000. “Als we niks doen, wordt dat 200.000”, aldus een woordvoerster van ProRail. Het streven van het bedrijf is dan ook om jaarlijks 25.000 plaatsen bij te bouwen.
Weesfietsen
Behalve het bouwen van meer stallingen, zal ProRail tevens het lang stallen en het fenomeen weesfietsen aan te pakken. In het najaar begint het bedrijf een proef met ‘stallingsduur’. “Sommige mensen gebruiken de fietsenstalling bij het station als schuur”, verduidelijkt de woordvoerster. Proeven in Groningen en Utrecht moeten uitwijzen in welke mate dit het geval is en wat hieraan kan worden gedaan.
Ruimte voor de Fiets
In 1999 begon het programma Ruimte voor de Fiets waarin ProRail, de gemeenten en het ministerie van Verkeer en Waterstaat samenwerken. Het doel is om zoveel mogelijk ruimte te creeëren door nieuwe stallingen te bouwen en bestaande stallingen uit te breiden. Daarvoor was een budget van 250 miljoen euro beschikbaar voor de periode van 1999 tot 2012. Bij aanvang van het programma hadden de stations 250.000 plaatsen voor fietsen; nu zijn dat er 350.000.
Enorm tekort
Tot 2012 worden nog 100.000 plekken bijgebouwd of aangepast, maar dan nog is er een tekort van 50.000 plaatsen. In 2020 is dat opgelopen tot 100.000. “Als we niks doen, wordt dat 200.000”, aldus een woordvoerster van ProRail. Het streven van het bedrijf is dan ook om jaarlijks 25.000 plaatsen bij te bouwen.
Weesfietsen
Behalve het bouwen van meer stallingen, zal ProRail tevens het lang stallen en het fenomeen weesfietsen aan te pakken. In het najaar begint het bedrijf een proef met ‘stallingsduur’. “Sommige mensen gebruiken de fietsenstalling bij het station als schuur”, verduidelijkt de woordvoerster. Proeven in Groningen en Utrecht moeten uitwijzen in welke mate dit het geval is en wat hieraan kan worden gedaan.
Ruimte voor de Fiets
In 1999 begon het programma Ruimte voor de Fiets waarin ProRail, de gemeenten en het ministerie van Verkeer en Waterstaat samenwerken. Het doel is om zoveel mogelijk ruimte te creeëren door nieuwe stallingen te bouwen en bestaande stallingen uit te breiden. Daarvoor was een budget van 250 miljoen euro beschikbaar voor de periode van 1999 tot 2012. Bij aanvang van het programma hadden de stations 250.000 plaatsen voor fietsen; nu zijn dat er 350.000.
maandag 19 april 2010
Fietsen wordt zeker zo lastig als autorijden (bron: NRC)
Er komt een einde aan de heilige status van de fietser. Nu bossen van ongebruikte kavaljes de weg naar stations versperren, moeten parkeerregels de steden fietsbaar houden.
Bij de uitgang van het station van Delft zag ik ze: zeeën van honderden in elkaar gekronkelde roestige stangen en wielen. Opzienbarender dan een smeedwerk van Joseph Beuys. Het is ook in vele varianten bij andere stations te bewonderen. Fietsen met kinderstoeltjes, met tassen, met dunne racebandjes of juist brede terreinwielen, oranje, rode of blauw gespoten exemplaren. Er is ook de zware fietsvariant op de SUV met een breed rek vóór of een boedelbak, zodat ze twee tot drie stallingsplekken in beslag nemen. En dan heb je breeduit geparkeerd de snelle stadscavalerie van de scooters. Talrijk zijn de kavaljes zonder spatbord, met afgebroken koplampen of gebroken remkabels die als roestige antennes boven het stuur uitsteken en leeggelopen banden. Alles is vol.
In Delft kunnen er weinig fietsen meer bij en het smeedkunstwerk van stangen en wielen woekert daarom als een slingerplant voort langs brug- en trapleuningen waar de wanhopigen na lang zoeken hun rijwiel aan vast hebben geklonken om toch nog hun trein te kunnen halen. Dit op het gevaar af dat ze worden losgeknipt en naar het gemeentedepot worden gebracht. Omdat ook station Delft verbouwd wordt, zijn al veel fietsen weggehaald. „Een paar weken geleden lagen de fietsen nog met vier op elkaar in de voetgangerstunnel”, bromde de beheerder van de stationsfietsenstalling. In zijn loods zag ik nog wel lege rekken. Maar het kost wel 1 euro 20 per dag of 11 euro per maand en dat willen Nederlandse fietsers meestal niet betalen. Voor hen moet alles gratis zijn. Een hybride fiets van 1.200 euro, zeker, maar vijftig cent voor parkeren is te veel.
De fietser is zo milieuvriendelijk, zo verantwoord, zo gezond dat hij zich moreel superieur acht aan de voetganger en de automobilist die een soort roker is. Hij heeft het recht op verkeersovertredingen en de anderen moeten wijken: „Opzij, opzij, want ik rijd geen auto.” Sinds de jaren zestig is de fietser zo heilig en vrij als een koe in India. Zijn voertuig mag overal staan. Maar die vrijheid belemmert nu het fietsen zelf. Er zijn domweg te veel fietsen, wel 18 miljoen in Nederland. Die zitten elkaar in de weg.
Er komen meer regels, merkte ik op de conferentie over fietsendiefstal die in de aula van de universiteit van Delft werd gehouden. Het hoofdonderwerp was weliswaar diefstal en succesvolle preventieve maatregelen zoals klemmen en afleesbare chips in fietsen. Maar het fietsparkeerprobleem schemerde erdoorheen.
Er werden folders uitgereikt over een nieuw type fietsparkeerklem met slot dat na te lang parkeren alleen na betaling opengaat, in het Nederlands Lock ’n Go geheten. Een workshop ging over ‘weesfietsen’, die door de eigenaar zijn achtergelaten en een ander behandelde fietsdepots waar ze naast de gestolen fietsen worden opgeslagen.
Misschien omdat er wat minder fietsen gestolen worden dan vroeger – van 750.000 naar 500.000 per jaar meldde het ministerie van Binnenlandse Zaken – kopen mensen eerder een fiets die ze in een gratis rek zetten. Amsterdamse stoepen die tot voor kort nog maagdelijk waren, staan sinds een paar jaar vol rekken en tweewielers, meer dan op archieffoto’s uit de tijd dat de fiets voor de meesten het enige vervoermiddel was. Bij het Centraal Station van Amsterdam staat de zogenoemde ‘fietsflat’, vier betonnen vloeren van gekruld staal en vaak geen gaatje te vinden. Later op de ochtend kan niemand er meer terecht.
Het voordeel van fietsen, namelijk snel precies voor de deur van je bestemming te komen, is aan het verdwijnen. In binnensteden moeten fietsers net als automobilisten rondcirkelen om een geschikte parkeerplek te vinden waar ze hun bezit aan kunnen vastzetten. De rekken zijn altijd vol. Steeds meer winkelstraten hebben fietsparkeerverboden, zodat je er niet meer even een brood kunt halen. In Tilburg moet je je fiets in een ondergrondse parkeergarage zetten. Fout geparkeerde fietsen worden in veel gemeenten voor straf naar het lokale fietsdepot gebracht, ergens ver buiten de stad. Fietsen wordt dus steeds meer als autorijden.
Het is onduidelijk waarom al die stoepen en pleinen pas de laatste jaren zo vol zijn geraakt. De fietsopruimer van de gemeente Delft heet Pieter van der Roest en hij heeft er geen verklaring voor. Hij gaf de workshop weesfietsen. Pas vijf jaar geleden ontdekte hij de weesfiets als nieuw probleem. Nu is een vijfde van de fietsenrekken op het station in de stad ermee gevuld. Dat kan niet alleen liggen aan het geslaagde aanmoedigingsbeleid voor fietsers.
Ik kan wel meer oorzaken verzinnen. De fietsklemmen zijn effectief tegen diefstal. Mensen hoeven hem niet meer binnen te zetten. Sommigen hebben in twee of drie steden een eigen fiets. Een ander krijgt een lekke band, zet de fiets met slot in het rek en stapt in de bus met het voornemen om de fiets later op te halen, maar daar komt het niet meer van. En dan heb je degene die een goed voornemen koopt en daar twee keer per jaar een tochtje op maakt.
In de Delftse aula werden de verzamelde gemeenteambtenaren ingewijd in een strenge aanpak van fietsdiefstal en de voordelen van depots. ‘Stukje’ verzamelpunt, stukje diefstalpreventie, stukje bestrijding van verrommeling, stukje sociale veiligheid, stukje gezondheid, stukje werkgelegenheid. Maar vooral een stukje ontheiliging.
© NRC/MAARTEN HUYGEN
Bij de uitgang van het station van Delft zag ik ze: zeeën van honderden in elkaar gekronkelde roestige stangen en wielen. Opzienbarender dan een smeedwerk van Joseph Beuys. Het is ook in vele varianten bij andere stations te bewonderen. Fietsen met kinderstoeltjes, met tassen, met dunne racebandjes of juist brede terreinwielen, oranje, rode of blauw gespoten exemplaren. Er is ook de zware fietsvariant op de SUV met een breed rek vóór of een boedelbak, zodat ze twee tot drie stallingsplekken in beslag nemen. En dan heb je breeduit geparkeerd de snelle stadscavalerie van de scooters. Talrijk zijn de kavaljes zonder spatbord, met afgebroken koplampen of gebroken remkabels die als roestige antennes boven het stuur uitsteken en leeggelopen banden. Alles is vol.
In Delft kunnen er weinig fietsen meer bij en het smeedkunstwerk van stangen en wielen woekert daarom als een slingerplant voort langs brug- en trapleuningen waar de wanhopigen na lang zoeken hun rijwiel aan vast hebben geklonken om toch nog hun trein te kunnen halen. Dit op het gevaar af dat ze worden losgeknipt en naar het gemeentedepot worden gebracht. Omdat ook station Delft verbouwd wordt, zijn al veel fietsen weggehaald. „Een paar weken geleden lagen de fietsen nog met vier op elkaar in de voetgangerstunnel”, bromde de beheerder van de stationsfietsenstalling. In zijn loods zag ik nog wel lege rekken. Maar het kost wel 1 euro 20 per dag of 11 euro per maand en dat willen Nederlandse fietsers meestal niet betalen. Voor hen moet alles gratis zijn. Een hybride fiets van 1.200 euro, zeker, maar vijftig cent voor parkeren is te veel.
De fietser is zo milieuvriendelijk, zo verantwoord, zo gezond dat hij zich moreel superieur acht aan de voetganger en de automobilist die een soort roker is. Hij heeft het recht op verkeersovertredingen en de anderen moeten wijken: „Opzij, opzij, want ik rijd geen auto.” Sinds de jaren zestig is de fietser zo heilig en vrij als een koe in India. Zijn voertuig mag overal staan. Maar die vrijheid belemmert nu het fietsen zelf. Er zijn domweg te veel fietsen, wel 18 miljoen in Nederland. Die zitten elkaar in de weg.
Er komen meer regels, merkte ik op de conferentie over fietsendiefstal die in de aula van de universiteit van Delft werd gehouden. Het hoofdonderwerp was weliswaar diefstal en succesvolle preventieve maatregelen zoals klemmen en afleesbare chips in fietsen. Maar het fietsparkeerprobleem schemerde erdoorheen.
Er werden folders uitgereikt over een nieuw type fietsparkeerklem met slot dat na te lang parkeren alleen na betaling opengaat, in het Nederlands Lock ’n Go geheten. Een workshop ging over ‘weesfietsen’, die door de eigenaar zijn achtergelaten en een ander behandelde fietsdepots waar ze naast de gestolen fietsen worden opgeslagen.
Misschien omdat er wat minder fietsen gestolen worden dan vroeger – van 750.000 naar 500.000 per jaar meldde het ministerie van Binnenlandse Zaken – kopen mensen eerder een fiets die ze in een gratis rek zetten. Amsterdamse stoepen die tot voor kort nog maagdelijk waren, staan sinds een paar jaar vol rekken en tweewielers, meer dan op archieffoto’s uit de tijd dat de fiets voor de meesten het enige vervoermiddel was. Bij het Centraal Station van Amsterdam staat de zogenoemde ‘fietsflat’, vier betonnen vloeren van gekruld staal en vaak geen gaatje te vinden. Later op de ochtend kan niemand er meer terecht.
Het voordeel van fietsen, namelijk snel precies voor de deur van je bestemming te komen, is aan het verdwijnen. In binnensteden moeten fietsers net als automobilisten rondcirkelen om een geschikte parkeerplek te vinden waar ze hun bezit aan kunnen vastzetten. De rekken zijn altijd vol. Steeds meer winkelstraten hebben fietsparkeerverboden, zodat je er niet meer even een brood kunt halen. In Tilburg moet je je fiets in een ondergrondse parkeergarage zetten. Fout geparkeerde fietsen worden in veel gemeenten voor straf naar het lokale fietsdepot gebracht, ergens ver buiten de stad. Fietsen wordt dus steeds meer als autorijden.
Het is onduidelijk waarom al die stoepen en pleinen pas de laatste jaren zo vol zijn geraakt. De fietsopruimer van de gemeente Delft heet Pieter van der Roest en hij heeft er geen verklaring voor. Hij gaf de workshop weesfietsen. Pas vijf jaar geleden ontdekte hij de weesfiets als nieuw probleem. Nu is een vijfde van de fietsenrekken op het station in de stad ermee gevuld. Dat kan niet alleen liggen aan het geslaagde aanmoedigingsbeleid voor fietsers.
Ik kan wel meer oorzaken verzinnen. De fietsklemmen zijn effectief tegen diefstal. Mensen hoeven hem niet meer binnen te zetten. Sommigen hebben in twee of drie steden een eigen fiets. Een ander krijgt een lekke band, zet de fiets met slot in het rek en stapt in de bus met het voornemen om de fiets later op te halen, maar daar komt het niet meer van. En dan heb je degene die een goed voornemen koopt en daar twee keer per jaar een tochtje op maakt.
In de Delftse aula werden de verzamelde gemeenteambtenaren ingewijd in een strenge aanpak van fietsdiefstal en de voordelen van depots. ‘Stukje’ verzamelpunt, stukje diefstalpreventie, stukje bestrijding van verrommeling, stukje sociale veiligheid, stukje gezondheid, stukje werkgelegenheid. Maar vooral een stukje ontheiliging.
© NRC/MAARTEN HUYGEN
Abonneren op:
Posts (Atom)